Image

Dit is een ingekorte versie van de eerste Egmontlezing, uitgesproken op 20 april op initiatief van De School van Gaasbeek, het Kasteel van Gaasbeek en de Marnixring Land van Gaasbeek. 

De integrale tekst vindt u vanaf 25 april via de website 

De Eerste Egmontlezing: Tegen het uitwissen: Kunst als reddingsboei - Brigitte Herremans - De School Van Gaasbeek

Deze tekst verscheen ook op zaterdag 20 april in de Standaard der Letteren. 

Brigitte Herremans is experte Midden-Oosten - verbonden aan de Ugent.

We staan vaak machteloos tegenover grootschalig onrecht in de wereld. Solidariteit en empathie zijn in die veelheid niet eens een must. Maar de erkenning van de nood om meester te zijn van het eigen en van het collectieve verhaal, is dat wel.

In haar boek De moeder aller vragen schrijft de Amerikaanse auteur Rebecca Solnit: “Verhalen redden je leven. En verhalen zijn je leven. We zijn onze verhalen, verhalen die zowel de gevangenis kunnen zijn, als de koevoet om de traliedeur mee open te breken; we maken verhalen om onszelf te redden of om onszelf of anderen te vangen, verhalen die ons verheffen of die ons tegen de muur van onze eigen beperkingen en angsten werpen. Bevrijding is altijd gedeeltelijk een proces van verhalen vertellen: met een verhaal naar buiten komen, het zwijgen verbreken, nieuwe verhalen maken.”

Verhalen vormden een bijl voor mij, om het met Kafka te zeggen. In een brief aan Oskar Pollak schreef hij: “We hebben boeken nodig die ons treffen als een ongeluk, die ons diep verwonden, zoals de dood van iemand van wie we meer hielden dan van onszelf, zoals wanneer we verbannen worden naar de bossen, van alle mensen vandaan, zoals een zelfmoord. Een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee in ons.”

Door het lezen van de verhalen over de Shoah kan ik me al van kindsbeen af iets voorstellen bij de kwetsbaarheid van wie zich overbodig weet in deze wereld, en van wie in zijn bestaan wordt bedreigd. Fictie maakte me gevoelig voor de bittere eenzaamheid van mensen die vervolgd en onderdrukt worden. Zo lieten ook de Palestijnse Intifada, de genocide in Rwanda en de Balkanoorlogen me als tiener niet onberoerd. De blootstelling aan fictie en ook aan mediaberichten versterkte mijn verbondenheid met slachtoffers of protagonisten in situaties van onrecht.

Van andere buitenstaanders verwacht ik niet dat ze verbondenheid voelen met mensen ver weg van ons. Ons absorptievermogen is beperkt en vaak staan we machteloos tegenover grootschalig onrecht. Solidariteit of empathie zijn geen must. Maar een erkenning van onze gedeelde kwetsbaarheid en de nood van mensen om meester te zijn van hun eigen verhaal, is dat wel.

Niemand neemt vrede met gedwongen stilte en onzichtbaarheid. Ook mensen in verstikkende dictaturen en conflicten willen hun stem gebruiken. Niets is zo erg als lijden in stilte. Niet alleen is er de pijn van de vele vormen van geweld, er is ook het bijkomende leed van de ontkenning of de onverschilligheid. Die voedt de vrees dat daders wegkomen met de ultieme daad van wreedheid: het uitwissen en onzichtbaar maken van hun misdrijven.

In mijn onderzoek (naar het potentieel van kunst in tijden van geweld om onrecht zichtbaar te maken in de Syrische en Palestijnse context, red.) en in mijn mensenrechtenactivisme zie ik hoe buitenstaanders – vaak ongewild – die fijnmazige systemen van verdoezeling van onrecht in stand houden, en slachtoffers bijkomend tot een leven in de marge veroordelen. Via een indirecte vorm van victimblaming worden slachtoffers vaak genegeerd of aangemaand zich rationeel op te stellen, hun verlies te aanvaarden en zich ter wille van ‘de lieve vrede’ over te geven.

In de context van het geweld in Palestina zijn daar talloze voorbeelden van, gaande van de ontkenning van de Nakba (de catastrofe van 1948 waarbij Israël werd opgericht op 78 procent van het grondgebied van historisch Palestina), tot de recente annuleringsgolf van Palestijnse kunstenaars op internationale podia, omdat het onderwerp van de Gaza-oorlog gevoelig zou liggen.

Ook in de Syrische context worden ervaringen van slachtoffers veelal genegeerd. Voor mij zijn de aanvaarding en de rechtvaardiging van het extreme geweld in Syrië stuitend. Tussen 2013 en 2016 bombardeerden het Assad-regime en Rusland systematisch ziekenhuizen. Niet alleen bestond er wereldwijd weinig ophef over deze barbaarse praktijken (in tegenstelling tot bij die in ­Oekraïne), het was pas door de documentaire For Sama (2019) waarbij de Syrische journaliste Wa’ad al-Kateab de bombardementen op ziekenhuizen in Aleppo vastlegde, dat er internationaal verontwaardiging opstak. Toch bestaat er in sommige progressieve kringen begrip voor het regime en worden zijn misdaden vergoelijkt of gedoogd. Zo hamert de Amerikaanse taalkundige en filosoof Noam Chomsky in zijn focus op het Amerikaanse imperialisme consequent op het gebrek aan alternatief voor het regime. Chomsky, van wie je zou vermoeden dat zijn sympathie bij de onderdrukten ligt, kan zijn verbeelding niet openstellen voor de protestbeweging. “In plaats van ons en onze zaak meer zichtbaar te maken,” schrijft Syrisch dissident Yassin al-Haj Saleh, “heeft Chomsky geholpen om Syrische activisten en schrijvers die vechten voor democratie en sociale rechtvaardigheid onzichtbaar te maken.”

Het uitblijven van verbeeldingskracht kan de strijd tegen onrecht ernstig bemoeilijken. Verbeelding laat ons toe om die bijl boven te halen en ons andere levens in te beelden. Daarom spreek ik van de ‘rechtvaardigheidsverbeelding’, de manieren waarop we ons rechtvaardigheid inbeelden, binnen bestaande juridische mechanismen, en ook daarbuiten.

Zoals Primo Levi ons leert, wilden de nazi’s niet alleen de genocide op het Joodse volk uitvoeren, maar ook de herinnering aan die gruweldaden wissen. Daarom verplichtte Hannah Arendt haar studenten politieke wetenschappen om romans te lezen. Niet zodat ze zich slecht zouden voelen over historische ervaringen die wezenlijk verschillen van hun levens, maar om te begrijpen wat onderdrukking is vanuit het perspectief van zij die het geweld ondergaan. Arendt zag literatuur als een alternatieve manier om geschiedenis te schrijven, van onderuit. Ook de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish zag het zo. Hij noemde zichzelf een Trojaanse dichter, iemand die de geschiedenis brengt vanuit het perspectief van de verliezer.

“Ik koos ervoor een Trojaanse dichter te zijn. Ik sta resoluut in het kamp van de verliezers. De verliezers wie het recht is ontnomen om een spoor van hun nederlaag achter te laten en om de nederlaag uit te roepen.” In zijn poëzie wilde de dichter, in naam van de afwezigen, over deze nederlaag spreken en de vernietiging van Palestina ongedaan maken. Zijn ‘herinname van Palestina’ is geen fysieke inname. Ze bestaat enkel in de verbeelding: “Ik keer niet terug. Ik kom eraan. Niemand kan terugkeren naar een ingebeelde plaats of zijn eerdere zelf.”

Achter het onzichtbaar maken van onrecht en misdrijven zit niet altijd een intentie; het is een vorm van marginalisering van onrecht. Die marginalisering van Palestijnse narratieven is wijdverbreid in het Globale Noorden. Door de herinnering aan de Shoah, het dominante beeld van een fundamenteel kwetsbaar Israël en het klimaat na 9/11, vinden Palestijnse verhalen veel moeilijker hun ingang in westerse media en mainstream cultuur. Ook worden Palestijnse verhalen en getuigenissen vaak neergezet als polariserend, partijdig, problematisch. De canceling van Palestijnse stemmen nam na de massamoorden van Hamas op 7 oktober 2023 sterk toe. Het meest ophefmakende voorbeeld is dat van de schrijfster Adania Shibli die de LiBeraturpreis zou ontvangen op de Frankfurter Buchmesse. Zonder voorafgaand overleg met de auteur schrapte de organisator LitProm de prijsuitreiking.

Ik dacht altijd dat de kracht van literatuur in situaties van onrecht vooral zit in het opwekken van empathie. Door mijn empirisch onderzoek met Vlaamse lezers die de Syrische romans De dood is een zware klus van Khaled Khalifa en De blauwe pen van Samar Yazbek lazen, ben ik daarop teruggekomen. Dit bleek niet het geval. Ik koos beide romans omdat ze zich afspelen in de context van het Syrische conflict en heel verschillend het leed van burgers beschrijven.

Veel van de lezers uit mijn focusgroep gaven aan dat ze zich niet bewust waren van het grootschalige leed. Door het lezen van Khalifa en Yazbek konden ze zich concreet traumatische ervaringen voorstellen, ze kregen inzicht in de ontmenselijking die plaatsvindt in Syrië. ‘Zich niet bewust zijn’, dat is hoe het vaak gaat: het onrecht wordt verdrongen of geminimaliseerd omdat het te confronterend is en een oplossing onmogelijk lijkt. Dat geldt niet alleen voor ons, als individuen, maar ook voor het grotere verhaal dat de wereld zichzelf vertelt.

In de Palestijnse context zorgt de actieve uitwissing door Israël en een zekere mate van medeplichtigheid in westerse politieke kringen en media voor de verdoezeling of ontkenning van bepaalde vormen van onrecht. Palestijnse en Syrische auteurs schrijven tegen het uitwissen, zonder te vervallen in ‘documentatie’ zoals non-fictieboeken of ngo-rapporten. Binnen de Syrische literatuur bestaat niet toevallig de tendens van het documentair schrijven, met schrijfsters als Samar Yazbek en Rosa Yassin Hassan. In lijn met de traditie van de gevangenisliteratuur, een genre dat jammer genoeg florissant is in Syrië, legden de schrijfsters ervaringen van vrouwelijke gevangenen vast in literaire non-fictie. Ze benadrukken dat literatuur ervaringen van onrecht kan blootleggen en kan oprakelen wat het regime dwangmatig probeert te verbergen.

Khaled Khalifa, die op 30 september 2023 overleed, was daar bijzonder stellig over: zijn voornaamste doel was om sterke literaire, esthetische teksten te schrijven. Hij voelde zich nauw verwant met slachtoffers, en onderging zelf ook geweld en intimidatie van het Assad-regime. Op de begrafenis van een van zijn vrienden in 2012 viel een regimegezinde militie hem aan en brak zijn hand. Toch bleef hij doorgaan met zijn kritiek en weigerde hij het land te verlaten, zoals zovele dissidenten gedwongen werden te doen. Hij meende dat schrijvers een sleutelrol spelen bij het ontmantelen van tirannie en dictatuur. Zo was Khalifa een van de eerste Syrische schrijvers die het taboe van de slachtpartij in Hama en het verplichte zwijgen daarover durfde te doorbreken. Het regime claimde het monopolie op de vertelling van de massamoord die het in Hama aanrichtte in 1982 en verbood burgers openlijk te spreken over de ‘gebeurtenissen’. Syriërs leefden met de kennis van de misdaden, maar het recht om erover te praten werdhun ontzegd. In zijn roman De poorten van het paradijs belichtte Khalifa de massamoorden vanuit het perspectief van een jong, geradicaliseerd meisje.

Khalifa meende dat lezers via fictie inzicht kunnen krijgen in onrecht zoals bombardementen op ziekenhuizen of geweld tegen vrouwen. Toch wilde hij die gebeurtenissen niet zozeer documenteren, als wel de kwetsbaarheid van Syriërs weergeven, en aangeven dat ze vergelijkbare verzuchtingen hebben als andere mensen. Hij wilde tonen dat Syriërs deel uitmaken van die gedeelde mensheid die Hannah Arendt ook zichtbaar wilden maken via haar focus op literatuur. Die kwetsbaarheid was ook de reden waarom Khalifa zich waagde aan de novelle De dood is een zware klus, zelfs al stond hij sceptisch tegenover de trend om over het huidige conflict te schrijven. Hij schreef liever over historische kwesties die in ruimte en tijd een zekere afstand tot het leed mogelijk maken.

Een ziekenhuisopname na een hartaanval in Damascus in 2013 zorgde voor een ommekeer in zijn denken. Het was schokkend voor de auteur dat terwijl hij uitstekende medische zorg kreeg, het regime nabijgelegen ‘rebellenwijken’ belegerde en bombardeerde. Het daagde hem dat de dood alomtegenwoordig was: overal loerde het risico op bombardementen, verdwijningen en arrestaties.

Ook voor Palestijnse schrijvers is het ‘gedwongen vergeten’ belangrijk. De Nakba is geen louter historisch fenomeen, maar houdt vandaag nog steeds aan, met nieuwe doden en vluchtelingen. Israël ontkent zijn verantwoordelijkheid en eist totale overgave aan zijn perspectief. Palestijnen moeten instemmen met Israëls overwinningen, zijn aanspraken op het land en de herschepping van de geschiedenis.

Israëls pogingen tot uitwissing resoneren sterk in de Palestijnse poëzie. Nathalie Handal, een Frans-Amerikaanse dichteres van Palestijnse origine, zoomt in haar oeuvre in op het aanhoudende onrecht en het verzet ertegen. Ze stelt dat gedichten “ons eraan herinneren dat we zullen overleven. Ze registreren, transformeren en versterken. Ze roepen onze herinneringen, leed en magische momenten opnieuw op. Het zijn echo’s die ons bezighouden, en ons aanmoedigen om naar buiten te treden.” Haar gedicht ‘Echo’s: een historisch nawoord’ benadrukt het belang van onofficiële archieven, de poging om een plaats in de geschiedenisboeken te vinden of die te herschrijven.

De reden is dat ze gedood werden

De waarheid is: jij ook

De waarheid is dat je geen huis meer hebt

De reden is dat ze zich in je huis bevinden

De reden is dat ze overtuigd zijn dat je vertrok

De waarheid is dat je veiligheid zocht

De waarheid is dat ze je nooit terug laten keren

De reden is dat ze hun stam moeten beschermen

De waarheid is dat je tot dezelfde stam behoort

Maar niemand spreekt daarover

De reden is dat het makkelijker is om een bedreiging te vormen

Hoe kunnen ze anders het doden rechtvaardigen.

Als conflicten steeds meer worden uitgevochten via informatie, de interpretatie van feiten en de verdringing van feitelijke waarheden, dan gebeurt waarheidsvinding op een diffuse en collectieve manier, via ngo’s, mensenrechtenorganisaties en onderzoekscollectieven. Maar ook kunst en verbeelding zijn cruciaal. Kunst kan diepere vormen van waarheid aan het licht brengen. Ze legt geen claims op forensische waarheid, maar kan helpen twijfelen en vastgeroeste denkbeelden bestrijden.

Als het mensenrechtensysteem geen soelaas kan bieden, dan kunnen literaire teksten de ideeën en debatten over rechtvaardigheid mee vorm geven. De kracht van de verbeelding wapent ons zo voor een van de meest problematische paradoxen in het Syrische conflict, namelijk dat de overvloed aan bewijsmateriaal over gruweldaden niet bijdroeg tot de ‘aanwezigheid’ van Syrische ervaringen en narratieven in het Globale Noorden. Literatuur kan ruimte scheppen voor reflectie over alternatieve pistes voor rechtvaardigheid en de erkenning van grootschalig leed dat niet eenvoudig aangepakt kan worden.

Ja, literatuur kan een schuilplaats bieden voor individuen. Ze kan troost bieden op momenten van totale radeloosheid en ontmenselijking. Ook kan ze helpen om het leed – voor zover dat mogelijk is – te overstijgen en om te buigen naar proporties waarmee te leven valt. Die vormen van redding zijn al uitvoerig beschreven door anderen. Mij interesseert vooral de collectieve redding, of de manier waarop literatuur in de Palestijnse en Syrische context mogelijkheden tot verzet en herinnering biedt. Literaire teksten over onrecht zijn een daad van bevestiging dat slachtoffers niet veroordeeld zijn tot leven en dood in stilte. Dat ze niet onzichtbaar moeten leven en sterven.

Dat is geen klassieke reddingsboei die het verdrinken tegengaat. Syrische en Palestijnse dissidenten, mensenrechtenactivisten en schrijvers kunnen de vernietiging niet stoppen, maar wel de uitwissing ervan. In die zin dragen literaire teksten bij tot de onofficiële archieven die zo essentieel zijn voor de herdenking van de ervaringen van slachtoffers. Ook maken ze het mogelijk om ervaringen te beleven en de geschiedenis te begrijpen vanuit het perspectief van degenen die niet aan de macht zijn. De afgrond wend je er niet mee af, maar we moeten de kracht van literaire teksten koesteren om de idee van een gedeelde wereld op te roepen. En dat is wat literatuur vermag: kijken naar onrecht vanuit het standpunt van hen die het ondergaan. Literatuur kan de ontmenselijking en vergetelheid tegengaan en de roep om rechtvaardigheid kracht bijzetten. Dat maakt haar in tijden van nietsontziend geweld tot een redmiddel.


Over dit bericht

Ring:
Land van Gaasbeek

Auteur:
Griet Lories

Gepubliceerd op:
24 april 2024 18:55