Weerwerk tegen vermeende taalsuperioriteit

Afbeelding: 

Jan G. R. Verleysen

LOF-rede

18 oktober 2019

Sociëteit de Witte

Den Haag   

 

   We zijn  hier te gast in een club die in de tijd van Napoleon is gestart als een literaire sociëteit en waar het Frans de omgangstaal was. In deze literaire sociëteit zet ik dus graag de toon van mijn rede aan de hand een stukje poëzie: een strofe uit een gedicht van dr. germ. fil. René de Clercq:

 

Waar een Volk leeft, leeft een recht,
een plicht tot eigenwaarde.
Ons volk heeft in zijn hart gezegd:
maak schoon uw deel der aarde.
Maak schoon, maak sterk uw deel,
dat gij met trots kunt tonen
de kleinste plek in 't groot geheel
waar Nederlanders wonen.

 

Mag ik u allen meenemen op een korte reis door de  geschiedenis?  Met name de geschiedenis van taalkundige dweperij en verafgoding.  En over de kwalijke gevolgen van taaldominantie en verschraling van culturele verscheidenheid samen met – helaas - het verlies van eigenwaarde.

 

Wanneer een taal door omstandigheden van politieke, economische of welke aard ook ten, prooi valt aan dweepzucht en adoratie, heeft dit onvermijdelijk schadelijke gevolgen. In de geschiedenis van de westerse mens heeft en doet zich dat voor bij zes talen. Hun sprekers pretenderen cultuurtalen te praten, wat men redelijkerwijze niet kan of mag ontkennen, maar schaamteloos gaan zij voorbij aan het feit dat die cultuurtalen ook cultustalen zijn, praaltalen, glittertalen, glamourtalen, pronktalen.

Wie de glittertaal van het moment zo verafgoodt dat hij of zij niets anders kunnen of willen gebruiken, verwacht op naïeve wijze dat alle heil én wijsheid uit die ene taalhoek komt. Twee- of meertaligheid wordt gezien als een Babylonische taalverwarring waarmee de maatschappij niet is gediend. Mens en maatschappij zijn pas bevrijd van die taaldiversiteit wanneer zij zich dus schikken in het heil van ééntaligheid.

 

Zich moeten schikken!

 

Onze historische reis begint bij het Grieks. Bij het ontstaan van de hellenistische wereld (vanaf 330 voor OT), zeg maar met de territoriale veroveringen van Alexander de Grote, verplaatst het centrum van de Griekse cultuur zich van Griekenland naar de diaspora en die wordt gaandeweg welvarender dan het oude vaderland. Door toedoen van de Grieken in het buitenland verspreidt zich het Grieks territoriaal én helleniseert de volkeren van het Nabije-, het Midden- én het Verre Oosten.

 

De zelfbewieroking van de Grieken, zeg maar hun meerderwaardigheidscomplex kent geen grenzen meer. Zij zien zich als nummer 1 in de wereld, want zij zijn toch het enige volk dat beschaving heeft. Hun cultuur is naar hun mening de enige universele cultuur!

 

Naar alle waarschijnlijkheid staan we hier voor de eerste keer in de geschiedenis van de mensheid voor een mentaliteit die we later nog zullen zien bij sprekers van de andere internationale glamourtalen. Een mentaliteit die haaks staat op meertaligheid en waardering voor het fraaie dat andere culturen te bieden hebben. We zien hier een arrogante houding die ertoe leidt dat andere volkeren én hun cultuur worden afgewezen als barbaars. En barbaren moeten toch zo nodig worden vermenselijkt.

Stilaan begint Rome zich meester te maken van de Griekse wereld. Rome ontwikkelt zich tot een politieke, militaire en economische grootmacht en moet dus ook iets hebben dat op beschaving lijkt.

Toch verdient het Latijn vanwege de Grieken geen genade en men gaat ervan uit dat het Latijn niets anders kan zijn dan een Grieks dialect. Eigenwaan die de werkelijkheid overstijgt.

 

De dominantie van het Latijn, de taal van de Romeinen, begint pas echt na de ondergang van het Romeinse rijk. Niet zonder slag of stoot kiest de kerkelijke overheid ervoor om maximaal in te zetten op het Latijn omdat er in feite geen andere optie was: het Latijn had zich al behoorlijk verspreid in de politieke en culturele gewoontes van West-Europa. Zodoende is het Latijn voor zeer lange tijd de taal van de plaatsbekleders van God op aarde én van hun onmetelijke kerkelijke macht. Na het jaar 400 is de macht van de Kerk al zo groot dat deze het begrip cultuur éénzijdig en autoritair invult aan de hand van normen en waarden die uitsluitend zijn gerelateerd aan religieuze opvattingen uit het verleden.

 

Vanaf de 16de eeuw  komt hierin duidelijk verandering: trouwens, al van in de 14de eeuw vindt men dat het idioom Latijn, echte vooruitgang in de zin van materiële welvaart en kennisvergaring in de weg staat. Maar ook vandaag doet het Latijn nog steeds van zich spreken in diverse wetenschappelijke vaktermen.

 

Adoratie van een wereldtaal kan enkel ontstaan wanneer het een idioom is van een volk dat economisch een leidende internationale positie bekleedt. Hoewel in de 14de eeuw Italië geen politieke eenheid kent, gaan tal van Italiaanse ministaatjes met elkaar wedijveren om in het hele gebied rond de Middellandse Zee en zelfs de Zwarte Zee handelsmonopolies te vestigen: plaatselijke handelsposten, of factorijen, die geen omliggend territorium bezetten maar die vanuit hun posten handel drijven met de inlanders. Hieruit ontstaat toenemende welvaart die de basis vormt van een renaissance die bepalend wordt voor de architectuur, de cultuur en wetenschap van die tijd, in die mate dat andere Europese naties daaraan een voorbeeld willen nemen. Het Italiaans wordt in de beeldvorming de taal van de zachtheid, de schoonheid, de muzikaliteit en het hoeft ons niet te verbazen dat de grote culturele uitstraling van destijds als een magneet heeft gewerkt op de uittocht/emigratie van vele performante geesten (kunstenaars en musici) naar Italië. Denkt u maar even aan de polyfonisten uit onze Lage Landen die de basis hebben  gelegd van de moderne muziek en om den brode uitweken naar Italië. Overigens, Galilei schreef zijn werken in het Italiaans en niet in het Latijn.

Een heel ander verhaal – of toch weer niet? – zien wij bij de groeiende dominantie van het Spaans als praaltaal in de 16de en in het begin van de 17de eeuw. Door de invasie van Zuid-Amerika klotst het goud er tegen de plinten. Ook hier zien we dat vele prominente geleerden en kunstenaars naar Castilië trekken. Het Castiliaans verheft zich tot een blitstaal, maar een lugubere blitstaal. De inquisitie gaat gepaard met folteringen en gruweldaden en toch heeft deze taal haar lofzangers zoals Francisco de Medina. Hij vindt dat het Spaans het verdient om zich te verbreiden tot de verse uithoeken van de wereld. Het Spaans staat voor een wereld van overvloed en rijkdom waarin de Kerk en de Inquisitie zich handhaven via een totalitaire politiek van een duivelse wreedheid. Maar de Spanjaard zelf vindt dat hij machtiger, beschaafder en hoffelijker is dan wie ook. De hoogmoed is deze keer wel van kortere duur: waar de overvloed de heersende kasten niet bepaald tot werken aanzet, laat de afstraffing niet lang op zich wachten. Spanje raakt de Nederlanden, Portugal en diverse andere gebieden kwijt. De aanhangers van de nieuwe glamourtaal, het Frans, vullen het vacuüm op, en scheppen er duidelijk genoegen in het Spaans in een kwalijk daglicht te stellen.

 

Hoe kan het Frans zich vanaf het midden van de 17de eeuw ontwikkelen tot een volwaardige glittertaal? Dat komt mede door de vooroordelen die de  Franse leidende klassen hebben ten opzichte van de oude thuistalen zoals het Occitaans en het Oud-Frans én het groeiende besef te behoren tot één natie. Het Frans was al sinds het decreet van Villers-Cotterêts (1539) de enige overheidstaal voor juridische documenten. De Franse elites leven in hun eigen wereldje van literaire salons zonder enig contact met de massa. Taal wordt een instrument om maatschappelijke sier te maken en dient in de salons van Lodewijk XIV galant, elegant,  en gepolijst te zijn. De elites doen er alles aan om uit hun taal woorden uit den vreemde te verbannen, want die woorden zijn voor hen koeterwaals.

 

De Franse taalmode van de dag waait over naar andere landen en vanaf 1670 komt overal in Europa een beweging op gang die dweept met het Frans. Een taal die overigens zeer arm is met betrekking tot de vaktermen over o.a. kunsten en ambachten. Frans ontwikkelt zich eerder als een kwaliteitsstandaard voor discussies over godsdienst, politiek en esthetica en zet zich met name af tegen het Latijn. Een achterhoedegevecht in feite. In 1667 verschijnt het werk Les avantages de la langue française sur la langue latine van Louis le Laboureur, het typevoorbeeld van taalnationalisme dat het Frans ziet als de toekomstige taal van heel Europa, wat zeg ik, van heel de wereld.

 

Het begrip universele taal werd al door o.a. de Grieken en de Spanjaarden gehanteerd, wel de Fransen doen dit nu op hun beurt! De zich beter voelende wereld dweept met het Frans en door toedoen van de godsdienstoorlogen vluchten de Hugenoten uit Frankrijk en vestigen zich in o.a. De Nederlanden, Duitsland en Engeland waar zij de dominantie van het Frans versterken via de oprichting van Waalse scholen -voorlopers van handelshogescholen waar onderwezen werd in het Frans en niet in de taal van de bevolking- en Waalse Kerken. Frans wordt de onderwijstaal en thuistaal van een aanzienlijk deel van de burgerij. Wie bijvoorbeeld in Duitsland geen Frans praat wordt aangezien als iemand die geen cultuur heeft. Gebruikers van het Frans zien die taal als een taal die andere talen overbodig maakt en die dan nog eens declasseert als onbruikbare dialecten -zoals de Belgische Kardinaal Mercier die het Nederlands ongeschikt vond voor het geven van hoger onderwijs.

 

Vanaf de industriële revolutie met de opkomende macht van Groot-Brittannië worden politieke macht, letterkunde, mode en Franse manieren onvoldoende om zich te handhaven. Voor het Frans beginnen de nadagen van hun internationale glittertaal: na 1945 wordt het Frans definitief verdrongen door de Angelsaksische wereld. Er ontstaat een nieuwe mondiale situatie. Het Engels verspreidt zich met een rotvaart en wordt de taal van de massacultuur, van de gelijkschakeling en van de technologisering van de maatschappij. Elitecultuur en volkscultuur lijken te versmelten, tradities en gewoontes staan onder druk, de moderne mens is op de dool en vervreemdt van zijn eigen identiteit. De universiteiten spelen hier een nieuwe maar kwalijke rol.

 

Wat leert ons deze snelle reis door de geschiedenis? Wij gaan hiervoor te rade bij Johan Gottfried von Herder die al in 1780 de gevolgen van taaldominantie aan de kaak stelde.

 

 

Het afvinklijstje van von Herder – aangevuld:

 

-Verplettering van de (nationale) landstaal.

-Bevordering van loutere ééntaligheid.

-Vormen van een obstakel voor culturele diversiteit.

-Kwaliteitsverlies van gesproken en geschreven taal wanneer men tot het gebruik van een vreemde glittertaal wordt gedwongen of men meent die taal te moeten gebruiken (ontwoording volgens Annette de Groot).

-Het aannemen van allures van affectie en aanstellerij.

-Het pretenderen van de universaliteit van het nieuwe idioom.

-Het afblokken van de originele inbreng van andere talen.

-Zelfbewieroking en zelfbewondering die extra gevoed worden door gedweep en adoratie vanwege de volgers (na-apers), wat leidt tot een arrogante vorm van navelstaarderij.

-Enge gelijkschakeling die tradities en

gewoontes onderuit haalt.

-Het ontstaan van mengtaal: cfr. het te onpas gebruiken van Engelse woorden in de eigen taal.

-Het bagatelliseren van kritiek (bent u niet met de tijd mee? Welkom in de 21ste eeuw! ).

 

 

Jan G.R. Verleysen

Vorig Algemeen Voorzitter MRIS