Traditie is niet het aanbidden van de as, maar het doorgeven van het vuur

Afbeelding: 

Gent, 21 oktober 2017

UITREIKING MARNIXRING EREPENNING AAN LUC DEVOLDERE

Met een afwachtende blik van onder zijn bronzen hoed zit Romain Deconinck op ons te wachten vóór de Minardschouwburg in Gent: vandaag wordt hier in deze eerste Vlaamse Gentse theaterzaal de prestigieuze Marnix Erepenning 2017 toegekend aan Luc Devoldere. De huldiging vindt plaats in de originele theaterzaal die met haar vergulde stucwerk, haar roodfluwelen stoelen en gedempt licht het ideale decor biedt voor deze feestelijke plechtigheid. De organisatie berust bij drie Gentse Marnixringen .

Piet Baetens, voorzitter van Marnixring Corneel Heymans, verwelkomt de aanwezigen, licht het verloop van de ochtend toe en kondigt meteen de eerste spreker aan. Dat is Axel Buyse, historicus, diplomaat en als dusdanig de hoogste diplomatieke vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering in Den Haag. Voor deze spreker is Nederland zijn werk én zijn passie.

Zoals altijd spreekt Axel Buyse rustig en bedachtzaam. Eerst licht hij kort de ontwikkelingsgang van zijn ambt toe en de lange weg die Vlaanderen heeft afgelegd om echt gehoor te vinden in Nederland. Hij gaat niet voorbij aan de zeldzame diplomatieke wrevelmomentjes die voortkomen uit de spanning tussen de bestuurlijke niveaus van dit land, maar al snel gaat het over vandaag en morgen.

 

Een mijlpaal, zegt hij met bescheiden trots over zijn werkstuk, was de Eerste Strategienota Vlaanderen-Nederland uit 2005. Die nota bevat zakelijke analyses zoals Wat is er? Wat kunnen/moeten de Vlaamse en Nederlandse en wat de gezamenlijke doelstellingen zijn? Verrassing was er op de Belgische ambassade, door Nederland ging een schok. De reactie liet niet op zich wachten en Axel Buyse werd in Den Haag ontboden om uitleg te geven.

De toelichting bleek bevredigend en in de periode die volgde kwamen de frequentie en de intensiteit van de N/Z-contacten in een stroomversnelling. Ook werd duidelijk dat voor Nederland niet zozeer “historie, sentiment en taal” doorwegen, maar wel de realistischer en zakelijke aanpak van een volk met een koopmansmentaliteit en met een oog voor profijt, of anders geformuleerd: welbegrepen gedeeld eigenbelang. Een uiterst belangrijk resultaat van de N/Z-gesprekken is zonder twijfel de fusie van de havens van Gent en Zeeland Seaports, waardoor vanaf januari 2019 in het nieuwe grensoverschrijdende havenschap, de derde in Europa financieel gezien, een nieuwe dynamiek zal ontstaan. Axel Buyse geeft nog andere voorbeelden: de veelbesproken IJzeren Rijn wordt eerlang in stukjes gerealiseerd, er komt samenwerking tussen de universiteiten van de Lage Landen op het vlak van innovatieve hightech toepassingen in bv. de regeneratieve geneeskunde. Zo verbaast hij het publiek met visies over nieuwe types prothesen en de mogelijkheid om op termijn een nier te ‘kweken’… Het is duidelijk dat Axel Buyse het soortelijk gewicht van Vlaanderen binnen de Belgische context beter wil zien uitspelen.

Axel Buyse besluit met een waarschuwing. De Brexit verzwakt de solidariteit binnen Europa en zal vooral Nederland en Ierland als slachtoffer hebben en ook Vlaanderen, want ‘België moet twee regimes bedienen’. Hij besluit met een vaststelling die in zijn diepste overtuiging is ingebed: Nederland is onze eerste bondgenoot.

 

Als het warme applaus is uitgestorven tovert de pianist Kristiaan van Ingelgem prettige Vlaamse muziek uit zijn klavier. Wie thuis is in de Vlaamse muziek herkent in de bekende Fantasie Nr. 3 van Peter Benoit beslist het beginmelodietje van de nachtradio van lang geleden en geniet vervolgens van een eigen bewerking van het bekende volkslied “Die Mey Pleysant”. Improvisatie blijkt een handelsmerk te zijn van deze rijpe en getalenteerde pianist.

De laudatio wordt uitgesproken door Dr. Hist. Johan Decavele, een terechte keuze want hij en de Erepenninglaureaat Luc Devoldere zijn goede oude vrienden.

In zijn inleiding grijpt Johan Decavele de ARTE documentaire “Les Flandres de Marguerite Yourcenar” aan om laureaat Luc Devoldere een toonbeeld te noemen van openheid naar andere culturen - naar Frankrijk vooral, maar evenzeer naar Italië - die Vlaanderen aan de dag hoort te leggen. Diezelfde openheid bleek uit de 30ste Pacificatielezing “Verdwaald in al onze talen” waarop Luc Devoldere in 2013 in Breda de genodigden vergastte. Meteen zit daar een pleidooi voor meertaligheid aan vast, die de dominantie van het Engels in evenwicht moet brengen.

Maar toch, gaat Decavele door, is het zijn liefde voor Vlaanderen die boven alles gaat. Voor Devoldere is Vlaanderen een natie, België is dat niet, ondanks Brel, Merckx, Stromae of de Rode Duivels… En de taal van die natie moet zonder discussie het Algemeen Nederlands zijn. Decavele herinnert eraan welke verbeten strijd het zijn generatie heeft gekost om dat taalideaal te bereiken. Jawel, er was vroeger de gunstige invloed van de Nederlandse TV, van Marc Galle, de vernederlandsing van de eredienst, en nu dienen de VRT-nieuwslezers als ijkpunt, maar toch lijkt het Decavele dat we erop achteruitgaan: ‘Luister maar naar West-Vlaamse studenten in Gent of Antwerpenaren’. Vlamingen kiezen weer in toenemende mate voor Verkavelingsvlaams of dialect.

Johan Decavele verwijst voor de levensloop van Luc Devoldere naar andere bronnen en geeft terloops de onevenwichtige aanpak van Wikipedia een sneer. De wijze waarop Umberto Eco daar wordt behandeld brengt hem op het thema van het essay.

 

Net als Eco is Devoldere een ervaren beoefenaar van het essay en van de “histoire narrative” en kan hij moeiteloos in de rij van bv. Huizinga, Swart, Van Oostrom, Hertmans en Van Reybrouck worden opgenomen. De nieuwste generaties historici zoeken het meer in de mentaliteitsgeschiedenis gebaseerd op sociologie of antropologie en in andere publicatietalen. Hier vormt Luc Devoldere met zijn essayistische en verhalende geschiedschrijving een waardevolle uitzondering.

Ook Johan Decavele besluit met een waarschuwing: laten we ons hoeden voor valse romantiek. Onze rijke en bloeiende geschiedenis mag geen voedingsbodem zijn voor dromen en mythen. En samenvattend noemt hij zijn vriend Luc Devoldere een lucide intellectueel die opkomt voor Vlaanderen en voor wat Vlaanderen nodig heeft en die onze erfenis in de moderne zin van het woord vitaliseert.

 

Wanneer Algemeen Voorzitter Jan Verleysen op het podium komt, wordt het stil, zoals altijd wanneer iets bijzonders te gebeuren staat. De voorzitter verwoordt wat iedereen aanvoelt: dit is een sacraal moment en onwillekeurig raken wij doordrongen van onze gemeenschappelijke doelstellingen, normen en zelfs verlangens.

Met de uitreiking van de Marnixring Erepenning worden twee partijen blij gemaakt, zegt hij, de laureaat en MRIS zelf die met de Erepenning zijn diepe erkentelijkheid vorm geeft voor de inzet van Luc Devoldere, van zijn organisatie Ons Erfdeel en van al zijn medewerkers ‘voor onze Lage Landen’. Net zoals de Marnixring doet de Luc Devoldere dat los van levensbeschouwelijke en partijpolitieke overtuigingen. Ónze kijk op hoe dingen moeten worden aangepakt en de úwe, vervolgt Jan Verleysen, vertoont vele raakvlakken en dat maakt ons samen sterk. En hij besluit: als er hier vanochtend zo velen naar de Minardschouwburg zijn gekomen, dan wijst dat erop dat men uw werk zeer waardeert. En dan rondt Jan Verleysen af met een citaat van de Franse schrijver André Maurois: Il n’y pas de civilisation sans cérémonie.

Nu volgt inderdaad de ceremonie. Luc Devoldere krijgt onder warm applaus de Erepenning overhandigd en neemt hij de bijgaande oorkonde in ontvangst.

Laureaat Luc Devoldere neemt dan het woord.

 

Bestaat toeval? De allereerste bijdrage van Luc Devoldere voor Ons Erfdeel, een boekbespreking, verscheen eind 1996 en betrof een deel van de briefwisseling van … Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, nog vóór hij burgemeester van Antwerpen werd. Als rechterhand van Oranje was hij toen nog geen staatsman, maar een civil servant die in een zestal talen briefwisseling voerde. De titel van zijn bijdrage was de lijfspreuk van Marnix ‘Repos ailleurs’, en meteen voegt hij daar aan toe dat ook hijzelf nog niet aan rust toe is, ‘een passend woord wanneer men een onderscheiding krijgt’. Dan citeert hij de doelstellingen van de Marnixring en stelt met genoegen vast dat die dicht aanleunen bij die van de Vlaams-Nederlandse culturele instelling Ons Erfdeel vzw.

Luc Devoldere is geflatteerd dat de Marnixring hem heeft opgenomen in de indrukwekkende galerij van vorige Erepenningontvangers en hij spreekt zijn dank uit voor de eer die hem vandaag te beurt valt. Zijn dank gaat ook naar de inleidende sprekers en hij betrekt in zijn hulde zijn medewerkers, collega’s en redactie en zeker ook Jozef Deleu, oprichter en stichter van Ons Erfdeel dat dit jaar 60 jaar bestaat, en Herman Balthazar, voorzitter van de Raad van Bestuur. Tot slot vermeldt hij met warmte de steun die hij krijgt van zijn kinderen ‘die hem met zijn voeten op de grond houden’ en vooral van zijn vrouw Hildegard, hospes comesque, die als zijn compagnon de route echt naast hem staat.

Het onderwerp dat Luc Devoldere voor zijn toespraak heeft gekozen is het tijdsgewricht.

Na de val van de Muur en de implosie van de Sovjet-Unie leek het alsof ideologieën plaats moesten ruimen voor de liberale democratie. Vandaag zien we dat religieus fanatisme, nationalisme en identiteit het sterkst staan: “Il faut être de quelque part”. Kosmopolitisme bleek hol en zwak, de plek waar we verankerd zijn mag opnieuw benoemd worden. Daarmee gaat evenwel ook oikofobie gepaard: een vals onbehagen en schuldbesef over de eigen cultuur. Grenzen werden opnieuw ontdekt als noodzakelijke garantie van zelfbepaling. Ze zijn contingent maar eraan morrelen is gevaarlijk, wie ze wil overstijgen moet ze eerst aanvaarden, ze zijn een voorwaarde voor echte diversiteit.

De tijden waarin we leven zijn hard en snel. Voorwerpen, attitudes, tradities verdwijnen tegen een hallucinant tempo. Deze metafoor van Alessandro Baricco maakt veel duidelijk: we zijn allemaal surfers geworden, maar surfen kan men enkel tegen hoge snelheid, vluchtig en oppervlakkig. Voor ware cultuur is stilstand, aandacht en diepgang nodig.

Alles wat waarde heeft, wat het waard is om van de ene generatie naar de andere doorgegeven te worden, onze traditie dus, moeten we door de transitie leiden. Devoldere citeert Gustav Mahler die in één aforisme de samenvatting maakt: traditie is niet het aanbidden van de as, maar het doorgeven van het vuur.

En zoals Lucebert leert: alles van waarde is weerloos en dus hebben we weerbaarheid nodig, maar zonder te verharden; luciditeit, maar zonder cynisme; openheid, maar zonder zwak te zijn, eerbied voor gelijkwaardigheid, maar met aanvaarding van verschillen; ironie zonder dat die gratuit wordt; twijfel zonder verlamd te raken; tolerantie, maar met bescherming van de sokkel waarop die tolerantie staat.

 

Tot slot legt Luc Devoldere zijn toehoorders een aantal vragen voor, waarop hijzelf het antwoord niet heeft, maar die hem bezighouden, zoals:

Wordt de veelgeprezen “vrijheid van meningsuiting” niet op een subtiele manier belaagd, terwijl we juist de indruk hebben dat alles gezegd mag worden?   Hoeveel transparantie kan een individu, een samenleving aan?   Neemt de moralisering, zelfs de ‘puritanisering’ van de openbare ruimte toe?

Terwijl de aanwezigen nog nadenken en het applaus nog nagalmt, is Kristiaan Van Ingelgem alweer achter de piano gaan zitten en onder zijn begeleiding zingen allen samen de nationale liederen, waarmee het officiële deel van de Uitreiking van de Marnixring Erepenning aan Luc Devoldere wordt afgesloten.

Dan volgt nog een zeer verzorgde receptie, die dank zij de goede zorg van Marnixring K.L. Ledeganck Gent vlekkeloos verloopt. Wie ingeschreven heeft, kan ten slotte in restaurant De Abt nog genieten van een heerlijke afsluitende lunch en van vriendschappelijk napraten onder Marnixvrienden.

 

Verslag:

Bruno de Laat,

MR Gent Borluut

Foto:

Cathy Bourgeos

MR Z-O VL